MAAR IK BEN GESTORVEN ...
Meditatie over Romeinen 7:9b

kruisvoet met schedel van Adam
fresco Andrea del Castagna
'... maar ik ben gestorven.'
Iedereen begrijpt dat iemand die bij leven zoiets zegt, niet spreekt
over het lichamelijke sterven. Deze woorden ontlenen hun betekenis
aan het geloof.
Maar zijn ze wel gepast in deze feestelijke paastijd? Ja, juist in
de paastijd komen zij tot hun recht. Alleen dan hebben ze niets te
maken met zelfhaat of een negatief zelfbeeld.
Uit kracht van zijn geloof in de verrezen Christus kan Paulus van
zijn eigen ik zeggen: het is dood.
Het ik hoort bij de natuurlijke mens, kwetsbaar voor chaos, kwaad
en bederf, ontvankelijk voor het zoeken van eigen eer en eigen loon.
Maar nu is Christus opgewekt in een geestelijke lichaam. Wie dat gelooft,
mag vrij zijn van prestatiedwang en -drang en van al het andere dat
uit het eigen ik voorkomt.
In de gemeente van Christus mag iedereen geloven: mijn leven is niet
meer van mijzelf, ik deel het leven met Christus!
Zijn leven is leven dat voor God kan bestaan. Zo mogen wij belijden
met Paulus: ‘Niet ik leef, maar Christus leeft in mij.' Ieder
lid van de Gemeente mag het belijden, en zo zijn wij samen één
lichaam, het lichaam van Christus.
W. Baan