PREDIKANTEN IN DE EVANGELISCH-LUTHERSE GEMEENTE ZIERIKZEE

pagina tien: 1893-1896


De zesentwintigste predikant van onze gemeente was:

Ds. Jan Arend Helper Sesbrugger

Ds. Helper Sesbrugger (1851-1906) heeft in Zierikzee gestaan van 1893-1893
Hij is enkele jaren lid van de Synode geweest en in de laatste jaren daarvan secretaris van curatoren van het Evangelisch-Luthersch Seminarium.



De zevenenwintigste predikant van onze gemeente was:

Ds. Johan Hendrik Grottendieck

Hij deed zijn intrede op 10 december 1893.
In 1896 heeft hij afscheid genomen omdat hij beroepen was naar Dordrecht.

Ds. Grottendieck (1868–1948) is secretaris van de Evangelisch‑Lutherse Synode geweest en ontving in 1935 de onderscheiding van Officier in de Orde van Oranje‑Nassau. Hieronder staat de aanbevelingsbrief uit Dordrecht, d.d. 28 april 1934:

Dordrecht, 28 april 1934

Onder terugzending van het schrijven van Z.E. den Minister van Justitie met bijlage, mij in handen gesteld bij Uwe apostille d.d. 23 dezer, No. 1155 Kabinet, heb ik de eer U EdelAchtbare het volgende mede te delen.
De Heer Johan Hendrik Grottendieck, geboren te Alkmaar, 16 Augustus 1868, wonende alhier aan den Singel 338, werd, volgens verkregen inlichting, den 23 Juni 1898, komende van Maastricht, in het Bevolkingsregister dezer gemeente ingeschreven.
Hij is sedert dien als predikant bij de Evang. Lutherse gemeente alhier werkzaam.
In de maand December van het vorig jaar werd door gemelde Kerkelijke gemeente in het bijzonder het feit herdacht, dat de Heer Grottendieck gedurende 35 jaar hier ter stede het predikambt vervulde.
De heer Grottendieck staat als mensch en predikant ook buiten zijn kring hoog aangeschreven en geniet de algemeene achting. Uit betrouwbare bron is vernomen, dat de Evang. Luthersche gemeente alhier het op hoogen prijs zal stellen, wanneer haar predikant eene Koninklijke onderscheiding mocht te beurt vallen, waarmede ook de betrokkene zeer ingenomen zou zijn.
Waar dezerzijds geen enkele omstandigheid is bekend geworden, welke een aan den Heer Grottendieck te verleenen Koninklijke onderscheiding in den weg zou staan, meen ik te mogen adviseeren te willen bevorderen, dat hij daarvoor in aanmerking moge komen.

De Commissaris van Politie.

Dordrecht, 3 mei 1934

Met terugzending van de bij bovenaangehaalden kantbrief overgelegde bijlage, heb ik de eer U het volgende te berichten.
Johan Hendrik Grottendieck, wonende alhier Singel nr. 338, is 16 Augustus 1868 te Alkmaar geboren.
Hij deed op 10 December 1893 zijn intrede als predikant bij de Evangelisch Luthersche gemeente te Zierikzee, op 26 April 1896 bij de gemeente van dit kerkgenootschap te Maastricht en op 26 Juni 1898 bij die te Dordrecht.
Onder groote belangstelling van de zijde zijner Gemeente is op 10 December 1933 alhier zijn 40‑jarig predikantschap gevierd. Daarbij is op overtuigende wijze gebleken, dat hij niet alleen in zijn Gemeente, maar ook in zijn Kerkgenootschap en daarbuiten een vooraanstaande plaats inneemt en een zeer geziene persoonlijkheid is.
Dat zijn werkzaamheden zich niet alleen hebben bepaald tot het predikantschap in engeren zin, bewijzen de vele gewichtige functies, waarin hij sedert tal van jaren belangrijken arbeid van kerkelijken aard heeft verricht.
Zoo was hij sedert 23 mei 1910 lid der Evangelisch Luthersche Synode. In 1914 en van 1919–1923 was hij vice‑voorzitter dier Synode; sedert 4 Juni 1917 lid der Synodale commissie; sedert 28 mei 1923 secretaris der Synode en der Synodale Commissie.
Sedert 6 October 1923 was hij lid der Commissie tot de Zaken van de Protestantsche Kerken in Nederlandsch Oost‑ en West‑Indië en sedert 17 November 1931 vice‑president dier Commissie.
Ds. Grottendieck, die de vrijzinnig godsdienstige beginselen is toegedaan, is in Dordrecht niet alleen in zijn kerkelijken kring gezien, doch wordt ook daarbuiten algemeen geacht. Hij treedt niet gaarne op den voorgrond, maar is een stille werker, die een hooge opvatting van zijn taak heeft, welke hij uiterst stipt verricht.
Ik zou het ten zeerste op prijs stellen, als het vele werk dat hij voor zijn Gemeente en Kerkgenootschap heeft gedaan, werd erkend door een Koninklijke onderscheiding in den vorm van het Ridderkruis der Oranje‑Nassau.

De Burgemeester van Dordrecht
(get.) de Gaay Fortman.

De aanhef van de koninklijke brief:

's‑Gravenhage, 27 december 1934

Wij Wilhelmina, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje‑Nassau enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van den 15 December 1934, afdeeling A.S., No. 7137 Geheim, hebben goedgevonden en verstaan: …



Iets over mijzelf

Na een dertigjarig predikantschap in verschillende lutherse kerkgemeenten kan ik mijzelf karakteriseren als voorganger en voorzanger

Het voorzangerschap kreeg er in Dordrecht een dimensie bij: mijn plaats als cantor in de Interkerkelijke Schola Cantorum Dordrecht e.o.. Door mijn initiatief is dit gregoriaanse koor in 1984 opgericht.