PREDIKANTEN IN DE EVANGELISCH-LUTHERSE GEMEENTE ZIERIKZEE
Ds Lenderink, vervolg
Lenderink verbleef in zijn Zierikzeese periode aan het Kraanplein 16 als inwonend bij de weduwe Leupen-Steenmeijer.
Haar echtgenoot was leraar geweest
aan de Hogere Burgerschool. Met kostgangers vulde zij haar inkomen aan.
De verhoudingen van Lenderink met zijn kerkenraad waren goed en gemoedelijk.
Meestal werd er vergaderd in de kamer van Lenderink in diens kosthuis of bij ouderling
en kerkrentmeester H.C. van den Ende, onmiskenbaar de steunpilaar
van de Lutherse gemeente.
(foto: A.L. Preuniger; Zeeuws Archief, Beeldcollectie Schouwen-Duiveland)
Van den Ende was metselaar-aannemer, opperbrandmeester,
regent van het Burgerlijk Armbestuur en actief in het verenigingsleven.
In 1904 werd hij lid van de gemeenteraad. Het was een verlies dat hij in 1906 uit Zierikzee vertrok.
In de Lutherse kerkenraad werd hij opgevolgd door J.H. Loewer, landmeter van beroep.
De andere kerkenraadsleden waren L.M. van den Ende, handelaar in
kolen en sterke dranken en broer van H.C. van den Ende, en de manufacturier W. Wiebols.
Weliswaar werd deze laatste secretaris, maar het was ds. Lenderink
die de notulen van de kerkenraadsvergaderingen schreef.
Financiële zorgen kende de gemeente niet, het enige zorgpunt was de kleine omvang van de
gemeente.
Ds. Lenderink voelde zich goed thuis in Zierikzee en werd snel opgenomen in de samenleving.
Als man van vrijzinnige beginselen was hij bestuurslid van de
Vereniging Volksonderwijs die ijverde voor het openbaar onderwijs. Eind 1905 werd hij secretaris van het dagelijks
bestuur van de Tentoonstelling van Huisvlijt,
een initiatief vanuit de afdeling Zierikzee van de Volksbond, Vereniging tegen Drankmisbruik.
De tentoonstelling werd in mei 1906 gehouden. Ook had hij zitting
in het plaatselijk comité dat geld inzamelde voor de slachtoffers van de watersnoodramp
die Zeeland in 1906 trof.
Eind 1906 werd hij door de Zierikzeese
gemeenteraad gekozen tot lid van de commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs
en vervolgens tot lid van de Plaatselijke Schoolcommissie, die zich
bezighield met het lager onderwijs. Van die laatste commissie werd hij secretaris.
Zijn contacten met de Hervormde predikanten in Zierikzee en elders op het eiland waren goed,
zij het dat die beperkt bleven tot degenen die eveneens als
Lenderink de vrijzinnige richting waren toegedaan.
Het leidde ertoe dat hij
ook voorging in de Hervormde kerken van Ouwerkerk en Brouwershaven.
Opmerkelijk was dat Lenderink in Ouwerkerk bij het afscheid van de Hervormde predikant
Kars op 17 februari 1907 deze in hartelijke woorden toesprak, iets
dat vrijwel nooit voorkwam omdat de voorkeur werd gegeven aan een collega van het eigen
kerkgenootschap. Dat hij de daaropvolgende zondag opnieuw in
Ouwerkerk voorging, wekt zo doende geen vraag meer op.
Ondertussen had hij zijn naam gevestigd binnen zijn eigen Lutherse kerk. Bij vacatures in Beverwijk,
Breda en Kampen stond zijn naam op de voordracht. Het
leidde tot een beroep van die laatste gemeente dat hij aannam.
Op zondag 28 april 1907 nam ds.
Lenderink afscheid van Luthers Zierikzee met een preek naar
aanleiding van Efeze 3:14-16 – ‘Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot de Vader van onzen Heere
Jezus Christus, uit Welken al het geslacht in de hemelen en
op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht
versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens.’
De scheidende predikant werd een afscheidslied toegezongen op de melodie van Gezang 108.
De volgende zondag, 5 mei 1907, bevestigde ds. Junod uit Den Haag ds. Lenderink in Kampen.
Net zoals in Zierikzee integreerde ds. Lenderink ook daar snel.
Hij werd voorzitter van de afdeling Kampen van de Protestantenbond, van de afdeling Kampen van
de Gustaaf Adolfvereniging en van de afdeling Kampen
van Volksonderwijs. Ook was hij bestuurslid van de afdeling Kampen van het Centraal Genootschap
van Kinderherstellings- en Vakantie-kolonies.
De meeste
contacten had hij in Kampen met zijn Doopsgezinde collega H. Ens.
Maar ook Kampen kon hem niet
aan zich blijven binden. Al in 1908 werd hij beroepen door
Leiden en vervolgens door Haarlem. Dat laatste beroep nam hij aan.
Lenderink volgde
ds. W.R. Poolman op, die daar maar liefst 42 jaar predikant was geweest.
Haarlem was in zoverre ook anders dat daar twee predikanten werkzaam waren. Zijn collega
was dr. H.A. van Bakel. Ook in Haarlem was de Lutherse gemeente
in meerderheid vrijzinnig, maar met een orthodoxe minderheid die zich in die periode
nog niet kon laten gelden.
Op zondag 7 februari 1909 deed ds. Lenderink intrede.
Echtpaar
Kort tevoren had zich een belangrijke verandering voltrokken in het persoonlijk leven van
Hendrik Lenderink.
Op woensdag 20 januari 1909 trad hij, 27 jaar oud,
te Zierikzee in het huwelijk. De bruid was de 21-jarige Adriana Cornelia van der
Vliet, dochter van Frederik Cornelis van der Vliet en Wilhelmina Constantia Koole.
De bruid was in Zierikzee geboren op 19 maart 1887.
Het burgerlijk
huwelijk werd voltrokken
op het stadhuis door wethouder mr. D. van der Vliet, die het jaar
erna burgemeester zou worden.
De kerkelijke bevestiging vond plaats in de Nieuwe Kerk door dr. J. Helder,
de oudste Hervormde predikant.
Dominee Helder had in de gedrukte liturgie – op zich
al een zeldzaamheid – een door hem geschreven lied opgenomen op de wijze van Gezang 83.
Medewerking werd verleend
door het Dameszangkoor ‘Musica’, die het lied ‘Geloof, Hoop en Liefde’ zongen, eveneens
geschreven door dr. Helder.
De dienst werd beëindigd met het
staande zingen van het eerste vers van Gezang 224: ‘U zeegne God! Hij stell’ u tot een zegen!
Gezegend zij uw hoofd, uw hart, uw wegen, Uw aardsch, uw eeuwig lot!’
Naar de overlevering zegt, had vader Van der Vliet, overleden in 1902 op 41-jarige leeftijd,
zijn vrouw op het hart gedrukt dat de dochter, hun enig kind (een
zoontje was 22 dagen oud in 1893 overleden), nooit om haar geld zou laten trouwen.
Van der Vliet was evenals zijn schoonvader Reinier Koole kassier, zeer
gefortuneerd en bezitter van onder meer de buitenplaats Rustenburg bij Schuddebeurs.
De zorgzame moeder gaf haar toestemming aan de charmante jonge
dominee met zijn blauwe ogen.
Het huwelijksfeest vond plaats met ongekend veel pracht en praal. Zo reed het paar
in een trouwkoets met witte schimmels.
Voor het diner waren een groep kelners, als lakeien gekleed, uit Holland ingehuurd.
Vanzelfsprekend kenden bruid en bruidegom elkaar uit de Zierikzeese
periode. Een groepje jongemannen, behorend tot de Zierikzeese elite, waarbij Lenderink zich
had aangesloten, hadden hem indertijd uitgedaagd met haar te
trouwen, zo vertelt diezelfde overlevering. Het ging om de Sint Jansridders.
Eten, drinken, roken en jolijt voerden de boventoon.
Het echtpaar betrok het voor ds. Lenderink gehuurde huis aan de Wagenweg 44 in Haarlem.
Op
12 februari 1909 woonde ds. Lenderink voor het eerst de
kerkenraadsvergadering bij.
Zoals in Haarlem gebruikelijk was, werd hij meteen secretaris; zijn collega dr. Van Bakel was
voorzitter.
Al snel liet hij zich in de vergaderingen horen. Op zijn voorstel werd
een discussie gestart over het moment van het dopen van kinderen. Dat vond plaats na afloop van de preek
hetgeen er vaak toe leidde dat een deel van de kerkgangers wegging.
Uiteindelijk werd besloten bij wijze van proef een jaar lang voorafgaand aan de preek de
doop te bedienen. Ook werd besloten als vaste regelmaat aan te nemen dat er om de drie weken
zou worden gedoopt.
De beide predikanten trokken ook in
het verenigingswerk gezamenlijk op. Zo werden beiden in 1909 gekozen in de besturen van de
Lutherse Ledenvereniging en de Lutherse ziekenverpleging,
allebei in dat jaar opgericht. Ook was Lenderink lid van het bestuur van de Lutherse zondagschool.
Eervol ontslag
Alles leek voorspoedig te gaan. Het was dan ook als een donderslag dat op donderdagavond 9 september 1909
dr. Van Bakel als voorzitter van de kerkenraad
een brief kreeg van ds. Lenderink.
De brief was geschreven vanuit Amsterdam waarin Lenderink meedeelde ontslag
te nemen. In de brief was te lezen dat hij met
‘grote droefheid’ zijn ambt neerlegde, niet, ‘omdat ik mijn geloof en godsvertrouwen verloren
heb. – Goddank! is mij dat gebleven’. Lenderink was ‘het geloof
in de waarde van het predikambt, na veel twijfel en strijd’ ontvallen.
‘Ik heb het ambt zoo liefgehad van mijn vroege jeugd af aan en mijn idealen waren
misschien te hoog – hoe het ook zij, het beter maken van de menschen, het hun mededeelen
van eigen godsdienst, met eigen levensgemeenschap met den
Heilige en daardoor een gelukkiger maken – dit alles te kunnen bereiken, heb ik ernstig
begeerd, maar ik het ’t niet gekund, Tenminste niet zoo, als ik ’t wilde.’
In zijn vorige gemeente, in november 1908, was er twijfel gekomen. De dominee had gedacht
in Haarlem zijn verwachtingen te kunnen verwezenlijken, maar
het was tevergeefs.
Hij zou nog wel een tijdje kunnen voortgaan en dan ondergaan
in de sleur.
‘Dat mag ik niet doen. ’t Werk van een predikant te verrichten
zonder ziel en bezieling acht ik zonde.’
Het preken was hem altijd lief geweest, maar
het overige werk kon hij niet meer doen zoals het hoorde. Zijn geweten
gebood hem te stoppen, ‘hoeveel leed ’t mij ook doet.’
Door zijn innerlijke strijd
was zijn zenuwgestel dermate geschokt dat hij het werk niet kon hervatten of
afronden. Daarom verzocht hij ontslag per 1 oktober. Lenderink verwees naar
dr. F.S. Meijers, zenuwarts in Amsterdam, die inlichtingen kon geven.
Hij kondigde
aan afscheid te willen nemen van de kerkenraadsleden en, na enige tijd, ook
afscheid te preken voor de gemeente. Tenslotte dankte hij allen voor de gevoelens
van vriendschap en genegenheid.
Nog maar sinds februari van dat jaar was ds. Lenderink in Haarlem werkzaam en
nu dit.
Zeer kort daarop gingen dr. Van Bakel, vergezeld van ouderling Gebhard,
naar Amsterdam. Eerst bezochten zij de arts Meijers die hen bevestigde dat het plan
van ds. Lenderink vaststond.
Vervolgens hadden ze een gesprek
met ds. Lenderink die hetzelfde verklaarde. Deze meldde dat hij ook ontslag zou aanvragen
bij de Synodale Commissie, het overkoepelend orgaan van de
Evangelisch-Lutherse Kerk.
De kerkenraad hoorde het alles op 12 september 1909 met verbazing aan.
Geopperd werd de predikant over te halen op zijn besluit
terug te komen, maar die moeite leek tevergeefs. Ook was er afkeuring te horen over de
wijze waarop ds. Lenderink zijn werkzaamheden in de steek had
gelaten. Eervol ontslag kon niet in deze omstandigheden want dat zou dan zijn om
gezondheidsredenen, maar daarvan wilde ds. Lenderink niets weten.
Ouderling Gebhard had dokter Meijers gevraagd: is ds. Lenderink zielsziek of is
hij ziek van zijn ambt. De arts meende het laatste.
De verbazing bleef: de
dominee was met zoveel opgewektheid in Haarlem begonnen; het was onbegrijpelijk.
Uiteindelijk ging de kerkenraad akkoord met eervol ontslag.
De kerkenraad schreef terug dat ze ‘met ontroering’ hadden kennisgenomen van
de brief. Lenderink werd verzocht om de nodige orde op zijn kerkelijke zaken
te willen stellen. Ook werd hem gevraagd het aan hem betaalde bedrag voor
zijn verhuizing terug te betalen. Aan beide zaken werd geen gevolg gegeven.
Verrassend was dat ds. Lenderink aanwezig was op de volgende kerkenraadsvergadering
die op 23 september werd gehouden.
Ter tafel kwam een brief van
de Synodale Commissie waarin stond dat ingestemd werd met het eervol ontslag en de
gevolgde handelwijze.
Nadat ds. Lenderink de notulen van de vorige
vergadering had horen voorlezen, verweerde hij zich tegen de kritiek dat hij geen orde
op zijn zaken zou hebben gesteld. Hij verweet twee ouderlingen, die
het woord hadden gevoerd, dat zij geen notie hadden van zenuwziekten.
De notulen melden: ‘Spreker [Lenderink] verkeert in een dwangtoestand’. Dat het
afscheid als ‘een vlucht’ werd ervaren, erkende Lenderink. ‘Maar hij had niet
anders gekund.’
Vervolgens ontstond onderling gekibbel. Lag de schuld niet
hierin dat ds. Lenderink te weinig werk had gehad en had de werkverdeling tussen
de beide predikanten niet meer tactvol gekund?
bron: Wikepedia
Vanzelfsprekend verweerde
dr. Van Bakel zich tegen die impliciete beschuldiging. Het ging er heftig aan
toe, maar tot slot verzoenden de partijen zich, niet in het minst door de opstelling
van Lenderink. Hij erkende wel dat het, in tegenstelling tot Kampen, soms aan werk
ontbrak, maar daarvan gaf hij niemand de schuld. Het was de positie als
tweede en jongste predikant die dit met zich meebracht. Die armoede aan
werk had het proces verhaast, maar niemand maakte hij daarvan een verwijt. Wel
deed men er verstandig aan bij zijn opvolger tot een wijziging in de
arbeidsverdeling te komen.
Nu de confrontatie niet had geleid tot ruzie, werd opgelucht
gereageerd. In oktober kwam bericht binnen dat Lenderink afzag van het preken
van afscheid en dat op medisch advies.
In de vacature werd ds. A.C. Schade
van Westrum, predikant in Groningen, beroepen die dit aannam.
Dr. Van Bakel werd eind van dat jaar beroepen als hoogleraar in Amsterdam.
De Amsterdamse jaren
Het echtpaar Lenderink-van der Vliet vestigde zich in Amsterdam aan de Willemsparkweg 93,
dezelfde weg waaraan ook dr. Meijers woonde.
Hun nieuwe
woonhuis dateerde uit 1889 en ligt dichtbij het Vondelpark.
Lenderink was voortaan ambteloos
burger. Volgens de overlevering zou hij makelaar in tabak zijn
geworden, maar de juistheid van dat gegeven blijkt niet.
In Haarlem had de
echtgenote van ds. Lenderink in 1909 zitting gekregen in het comité dat geld bijeen
wilde brengen voor een nieuw te stichten huis van het Centraal Genootschap van Kinderherstellings-
en Vakantie-kolonies, dezelfde organisatie waarvoor haar
man in Kampen actief was geweest. Veel activiteiten kon ze daar niet ontplooien
vanwege het vertrek naar Amsterdam.
Lenderink-van der Vliet, 1913
foto: Merkelbach, Stadsarchief Amsterdam
In 1916 werd mevrouw Lenderink-van der Vliet secretaresse van het hoofdbestuur
van de Vereniging tot Steun van Verwaarloosden en Gevallenen. Die
vereniging, kortweg aangeduid als ‘Tot Steun’ en opgericht in 1887, richtte zich
op minderjarigen waarvan de opvoeding was verwaarloosd of dreigde te worden.
Verder op ongehuwde moeders en ‘ontuchtige vrouwen’. De vereniging had
vier doorgangshuizen waarin dit nobele werk werd gedaan: drie in Apeldoorn en
een in Epe.
Het werk was veelomvattend, vooral omdat het onder meer het plaatsen
van kinderen en jonge mensen behelsde. Landelijk had de vereniging in
1919 29 afdelingen. De organisatie was werkzaam in protestants-vrijzinnige
geest en vond dan ook in die kringen de meeste steun.
Mevrouw Lenderink moet
haar handen er vol aan hebben gehad.
Ondertussen ging het tussen man en vrouw niet goed. Een omstandigheid die daar
misschien aan heeft meegewerkt, was dat het huwelijk kinderloos bleef.
Het leidde ertoe dat het echtpaar uit elkaar ging, maar niet alleen dat.
Op 30 november 1921 diende Adriana Cornelia Lenderink-van der Vliet een verzoek in
via haar procureur bij de Arrondissementsrechtbank met de eis tot echtscheiding.
Zij had moeten ondervinden hoe haar echtgenoot ‘herhaaldelijk
vleesschelijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen.’
Het ging derhalve
om overspel en op grond daarvan werd het huwelijk begin 1922 door de
rechtbank ontbonden.
Lenderink woonde op dat moment in hotel de Roode Leeuw aan het Damrak in Amsterdam.
Dat het echtpaar bij hun huwelijk huwelijkse
voorwaarden hadden laten vastleggen, was achteraf een goede beslissing geweest. Van Hendrik
Willem Lenderink vernemen we daarna niets meer. Hij overleed
in Laren op 31 juli 1932 op 50-jarige leeftijd, maar woonde officieel nog steeds in Amsterdam.
In het Amsterdamse bevolkingsregister is geen beroep van hem
aangetekend.
Het in Zierikzee in omloop gaande verhaal dat hij aan lagerwal was geraakt,
kan niet worden bevestigd.
Hoewel gescheiden van haar echtgenoot bleef Adriana Cornelia haar verdere leven
de naam Lenderink voeren.
Voor velen moet het onbekend zijn gebleven
dat ze gescheiden was.
Onverdroten ging ze door als secretaris van ‘Tot Steun’.
Ook werd ze in 1924 lid van de Centrale Commissie die nadere aansluiting van
de vrijzinnig protestantse kerken zocht.
Twee jaar later stelde de Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep een muziekcommissie
in met onder andere mevrouw Lenderink-van der Vliet als lid. Die
commissie verzorgde de muzikale medewerking aan de uitzendingen.
Mede vanwege die contacten was ze in december 1935 voor de radio te horen over
‘Weldadigheidspostzegels en prentbriefkaarten voor het kind.’
Ook werd zij
voorzitster van ‘De Kerstvereniging’ in Amsterdam. Het doel van deze organisatie
was de zedelijke verheffing van hulpbehoevende gezinnen door middel van ‘een
in religieuzen geest te houden Kerstviering.’ Het zijn allemaal contacten in de
vrijzinnig-protestantse sfeer waartoe zij zich als Lutherse bleef rekenen.
Aanvankelijk woonde mevrouw Lenderink na de scheiding in een bovenhuis aan de
Van Breestraat 80, een pand uit 1901.
In 1932 verhuisde ze naar
de J.J. Viottastraat 15b, een toen recent pand uit 1924 niet ver van haar vorige woning.
Het was een straat voor de middenklasse en de rijkere inwoners.
Opvallend veel rijkere Joodse inwoners woonden hier.
In 1932 overleed Adriana’s moeder, de weduwe Van der Vliet-Koole, op 73-jarige leeftijd. Zij had zich
eveneens in Amsterdam gevestigd.
In haar vijftigste jaar, in 1937, besloot Adriana Cornelia terug te gaan naar Schouwen-Duiveland.
Het jaar ervoor, in 1936, was ze afgetreden als secretaresse
van ‘Tot Steun’. De vereniging was haar dankbaar voor haar grote inzet gedurende twintig jaar,
beloonde haar met het erelidmaatschap en een salonstoel. Die
laatste was een cadeau van de oud-directies van de tehuizen van de vereniging.
Mevrouw Lenderink verhuisde naar Schuddebeurs om haar intrek te nemen in
de ouderlijke buitenplaats Rustenburg bij Schuddebeurs.
Ze stelde het bij deze buitenplaats
behorende terrein ter beschikking voor de Vrijzinnige Landdag in
1938, 1940 en 1942 en tussendoor, in 1939, voor de Arbeidersvrouwendag van de
Vrouwenclub Zierikzee. Op de Vrijzinnige Landdagen werden er
redevoeringen gehouden door vrijzinnige Hervormde predikanten en waren er optredens van
de kerkkoren in Zierikzee en Brouwershaven. Ook de
muziekvereniging Con Amore uit Noordgouwe gaf op dit landgoed in 1938 een openluchtconcert.
In Schuddebeurs werd mevrouw Lenderink betrokken bij de
Jeugdherberg Weelzicht, die daar in het gelijknamige huis in 1933 werd geopend. Mevrouw
Lenderink maakte deel uit van het bestuur.
Het was een kortstondig initiatief want zes jaar later werd de huur van het pand opgezegd.
Een tweede jeugdherberg werd in 1938 geopend in de buitenplaats
Buitenrust, maar die werd al een jaar later gesloten.
Rustenburg dateerde in oorsprong uit de zeventiende eeuw en werd als hofstede gebouwd.
Na afbraak werd de aan de Kloosterweg gelegen buitenplaats in
1823 gebouwd door de Zierikzeese koekbakker en kruidenier Jacobus Dekker.
Na zijn overlijden in 1830 wist diens dochter Adriana Dekker het achterliggende
terrein aan te kopen waardoor de oppervlakte bijna twee keer zo groot werd.
De buitenplaats werd in 1865 gekocht door Reinier Koole en vererfde in 1908 op
zijn dochter, gehuwd met Frederik Cornelis van der Vliet.
In 1935 werd het eigendom van hun dochter, mevrouw Lenderink. Tijdens de Tweede Wereldoorlog
werd de buitenplaats gevorderd door de Duitse bezetter.
In die periode woonde mevrouw Lenderink
in bij haar tuinman in de bijbehorende woning naast
Rustenburg. Die tuinman met zijn knecht kweekten groente en fruit die verkocht werden.
In 1944 volgde een bombardement vanwege het vermoeden dat daar
een Duitse commandopost was gevestigd. Het pand ging in vlammen op.
Herbouw vond plaats en in 1977-1978 zou een uitbreiding gaan plaatsvinden. In de
tussentijd was Adriana Cornelia Lenderink-van der Vliet op 10 januari 1963 overleden.
Het lichaam werd op haar verzoek in alle stilte gecremeerd.
Rustenburg
werd eigendom van haar pleegzoon dr. R.A. van der Veer te Dalen (Drenthe),
die de buitenplaats later van de hand deed.
Zeeuws Archief, locatie Zierikzee: Gemeente Zierikzee, Bevolkingsregisters; inv.nr. 3264, Jaarverslag gemeente, 1905;
Archief Evangelisch-Lutherse gemeente te Zierikzee, inv.nrs. 6 en 47, Notulen kerkenraad; 62, Afschriften uitgegane brieven.
Stadsarchief Amsterdam: Bevolkingsregisters en gezinskaarten.
Noord-Hollands Archief, Haarlem: Archieven van de Evangelisch-Lutherse gemeente te Haarlem, inv.nr. 8, Notulen kerkenraad;
Archief Arrondissementsrechtbank Amsterdam, inv.nr. 691, Echtscheidingsrekesten, nr. 774.
Zeeuws Archief, locatie Zierikzee: Archief van de Evangelisch Lutherse gemeente te Zierikzee, inv.nr. 47, Notulen kerkenraad;
Handschriftenverzameling, inv.nr. 319, ‘Uit Pa’s schooljaren’ door J.J. de Bruyne.
Landelijke en regionale kranten en tijdschriften via de Krantenbank Zeeland en Delpher.
Martin van den Broeke, Buitenplaatsen in Noordgouwe. Hofsteden, lusthoven en landhuizen, Delft 2014.
C.M.C. van Eck-Greven, ‘Buitenplaats Rustenburg’, in: Wil Alkemade-Bousché et al, Eeuwboek Noordgouwe/Schuddebeurs, Noordgouwe 2000, 145-146.


